Muziek en Nederlands - www.MuzNed.nl

Welkom op de website van Stefan Terpstra, docent Muziek en Nederlands op SG De Dijk in Medemblik.

Geen categorie, Nederlands, Werkwoorden

Soorten werkwoorden

Eerst dit lezen: wat zijn werkwoorden?

1) Persoonsvorm, voltooid deelwoord, tegenwoordig deelwoord en infinitief (hele werkwoord).
2) Sterke en zwakke werkwoorden
3) Zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord.
4) Werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde.
5) Wederkerend werkwoord
6)  Werkwoordstijden
7) Scheidbare en onscheidbare werkwoorden

Wat zijn werkwoorden?
a) Werkwoorden zijn dingen die je kunt doen, zoals fietsen, zingen en zelfs slapen is een werkwoord.
b) Er gebeurt iets, bv. sneeuwen, hagelen, regenen of onweren.
c) Het onderwerp van de zin ‘is iets’, dus zijn, worden, blijven, blijken, lijken.
d) Werkwoorden geven aan in welke tijd de zin staat.

1) Persoonsvorm, voltooid deelwoord, tegenwoordig deelwoord en infinitief.
a) De persoonsvorm is het belangrijkste werkwoord van de zin. De persoonsvorm geeft de tijd van de zin aan, geeft veel (grammaticale) informatie over bv. het onderwerp van de zin. Hier vind je meer informatie over de persoonsvorm.

b) Het voltooid deelwoord.
Een voltooid deelwoord begint vaak met be-, ge-, ver- of ont-.
Een voltooid deelwoord eindigt op:
-d (regelmatig)
-t (regelmatig)
-en (onregelmatig).
Het voltooid deelwoord is in een enkelvoudige zin het zelfstandig werkwoord en heeft een hulpwerkwoord nodig. Ook vertel je met een voltooid deelwoord iets dat al gebeurd is, voltooid is dus. Meer informatie vind je hier.

c) Het tegenwoordig deelwoord is het hele werkwoord + d.
Lopend, fietsend, bakkend, enzovoort.
Deze vorm wordt ook wel genoemd onvoltooid deelwoord. De handeling is bezig, is daarom onvoltooid. De naam tegenwoordig deelwoord vinden mensen vaak handiger om te onthouden, omdat je dan niet hoeft te onthouden of het nu voltooid of onvoltooid was.

d) De infinitief of ook wel hele werkwoord.
Lopen, fietsen, bakken, stelen, spelen.
Als je een werkwoord wilt opzoeken in het woordenboek, gebruik je deze vorm. Hij wordt dan ook wel de woordenboekvorm genoemd.
Het woord infinitief betekent oneindig. Het is de onbepaalde wijs die als het ware voor altijd door blijft gaan. De infinitief is niet vervoegd naar persoon of tijd.
Voor de infinitief kan je altijd “om te” zeggen: om te lopen, om te fietsen, om te dansen, …

2) Sterke en zwakke werkwoorden
Ezelsbruggetje: sterke werkwoorden hebben de kracht om te veranderen.
Als de verleden tijd of het voltooid deelwoord van een werkwoord afwijkt van de regelmaat die we zien bij zwakke werkwoorden, spreken we van sterke werkwoorden.  De klank verandert, en dat komt omdat de ‘klinker’  van het woord verandert. Lopen, liepen. Lezen, las, gelezen.

Sterke werkwoorden zijn weetwoorden. Mensen die de Nederlandse taal machtig zijn, hebben deze woorden vaak in hun hoofd zitten. Er is geen logica. Je moet de woorden die je niet weet, uit je hoofd leren.
Hier vind je een lijst met sterke werkwoorden.

Zwakke werkwoorden zijn regelmatig. Als je het werkwoord vervoegd, blijft de klank hetzelfde. Leven, leefde, geleefd.

En dan heb je nog een klein groepje werkwoorden die ‘sterk’, die helemaal van vorm veranderen. Dit zijn de werkwoorden hebben, mogen, willen, kunnen, zijn en mogen. Probeer ze maar eens uit!

3) Zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord.

Het werkwoord dat in de zin een handeling aangeeft, is het zelfstandig werkwoord. Als er meerdere werkwoorden in de zin staan, is het zelfstandig werkwoord het werkwoord dat je niet weg kunt laten, zonder de betekenis van de zin te veranderen.  De overige werkwoorden zijn hulpwerkwoorden. Hulpwerkwoorden kun je weglaten zonder de betekenis van de zin wezenlijk te veranderen.

Ik ga naar de bakker.
‘Ga’ van ‘gaan’ is het zelfstandig werkwoord. Het is ook het enige werkwoord in de zin.

Ik ben naar de bakker geweest.
‘Geweest’  van ‘gaan’ is het zelfstandig werkwoord. ‘Ben’ van ‘zijn’ is het hulpwerkwoord.

Koppelwerkwoorden staan in zinnen met een naamwoordelijk gezegde. Dit zijn de belangrijkste koppelwerkwoorden.

  • zijn
  • schijnen
  • worden
  • heten
  • blijven
  • (dunken)
  • blijken
  • (voorkomen)
  • lijken

Koppelwerkwoorden koppelen een eigenschap aan het onderwerp van de zin.

4) Werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde.
Het werkwoordelijk gezegde zijn alle werkwoorden in een zin, en het woordje ‘te’. Zinnen met een werkwoordelijk gezegde zijn zinnen waarbij het onderwerp van de zin iets doet.
Ik heb gefietst.
WWG = heb gefietst. Het onderwerp van de zin -ik- ‘doet’ iets.

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit het werkwoordelijk deel van de zin en het naamwoordelijk deel. Zinnen met een werkwoordelijk gezegde zijn zinnen waarbij het onderwerp van de zin iets is.
Ik ben dokter.
Werkwoordelijk gezegde= ben dokter.
Naamwoordelijk deel=dokter
Werkwoordelijk deel=ben
Het onderwerp van de zin=ik

‘Ben’ komt van het werkwoord ‘zijn’. Dit is een koppelwerkwoord.
Voor meer uitleg over het gezegde klik hier voor een handig filmpje.

5) Wederkerend werkwoord
6)  Werkwoordstijden
7) Scheidbare en onscheidbare werkwoorden.

 

 

Please follow and like us:

Reageren is niet mogelijk

Thema door Anders Norén