1. De bezits-s schrijf je vast, tenzij je het voor de uitspraak anders moet schrijven.

De officiële regel is dat de bezits-s in principe aan een naam vast geschreven wordt: Piets fiets, Mariekes vriendin, Oscars tante, etc.

Alleen als de s de uitspraak van de voorafgaande klank zou veranderen, staat er een apostrof voor de s. Dat is het geval als de laatste lettergreep op één enkele a, i, o, u of y eindigt, of op een enkele e die als [ee] klinkt. Bijvoorbeeld: Anna’s auto, Johnny’s baardje en Zoë’s baan.

Na een dubbele klinker of een tweeklank komt geen apostrof (Coetzees roman, Lidewijs gedicht). Na een naam die op een hoorbare sisklank eindigt, komt wel een apostrof maar geen extra s (Bas’ column, Joyce’ OPP, Jos’ diagnose).

In de Spellingwijzer Onze Taal staan dezelfde basisregels, maar wat betreft Onze Taal kun je een apostrof gebruiken om de duidelijkheid te vergroten. Zo komen in Jansen’s terras, Homme’s hoest en Lidewij’s gedicht  de namen beter uit dan in Jansens terras, Hommes hoest en Lidewijs gedicht.

2. Een school heeft wel een hoofd, maar geen hoofdletters
Namen van schooltypen schrijven we in kleine letters:

Willem zit op de havo, Anke geeft les aan het vmbo, de doorstroming van mbo naar hbo is niet altijd eenvoudig.

3. Woordsamenstellingscreatie is een proces zonder spatie
Als we een nieuw woord samenstellen uit twee of meer kortere woorden, dan schrijven we die woorden aan elkaar, ook als die woorden uit een andere taal komen:

De bedrijfskundestudente heeft het stageportfolio met het developmentmodel aan haar afstudeerstagebegeleider gegeven.

4. Afleiden met apostrof, samenstellen met een koppelteken

Het Nederlands heeft veel woorden met een gekke schrijfwijze. Die worden bijvoorbeeld letter voor letter uitgesproken (sms, PvdA, WAO) of er staan cijfers of leestekens in (D66, 65+, A4). Vaak zijn het namen van organisaties, instellingen of wetten.

Als we van zo’n gek woord een langer woord afleiden door er een woorddeeltje achter te plakken dat zelf geen woord is (-tje, -je, -er), dan schrijven we tussen de woorddelen een apostrof (‘). Maken we een samenstelling met een ander woord (collega), dan schrijven we een koppelteken (-):

De PvdA’er schreef aan zijn D66-collega een sms’je over de 65+’ers die hun zorgen hadden geuit over de kosten voor oudere WAO’ers.

5. Het is heel gemeen, maar een zinsafsluiter is altijd alleen
We sluiten een zin af met een van de volgende leestekens: de punt (.), de dubbele punt (:), de puntkomma (;), het vraagteken (?), het uitroepteken (!) en het beletselteken (…). Alleen na het beletselteken mag nog een ander leesteken komen, namelijk een vraagteken of een uitroepteken. Combinaties van vraagtekens en uitroeptekens (??????, ?!?) horen alleen in stripverhalen thuis.

Dit is een voorbeeldzin en hier komen er nog een paar:
Hoe hij dat nu weer had gedaan?
Oprotten!
Of we daar ooit achter zullen komen …?

BRON:
Tip 1 is, in bewerkte vorm, afkomstig van de site van Onze Taal
Tip 2 t/m 5 zijn, in bewerkte vorm, afkomstig van  Henk Wolf.  Ik heb de tip over het beletselteken weggelaten. Als je die ook wil weten, kun je die hier teruglezen als tip 2.

 

 

Please follow and like us: